admin login
Volgende dienst
Kunstproject ‘de tien geboden’ (4)
Datum publicatie: 16 feb 2014
Laatste update: 16 feb 2014

Toelichting op het kunstwerk ‘Het sabbatsgebod’ van Judith Gerkema

4e-gebod-Judith-Gerkema-upside-down

In dit langgerekte werkstuk heb ik geprobeerd iets van de beleving van een week neer te zetten. Hier links iemand die gevangen lijkt – in de omstandigheden  – en uitkijkt naar het einde van de week: vrij van school en werk, en dan een stralend weekendgevoel. Zo kun je zomaar tegen een week aankijken.

God zet die beleving met het sabbatgebod letterlijk op z’n kop. In Genesis blijkt hoe God aan mensen niet als eerste een werkdag geeft, maar een rustdag: op de zesde dag wordt de mens geschapen, op de zevende dag kunnen ze al proeven aan de rust. Werk of school stempelen dus niet allereerst mijn bestaan, maar Gods Licht kleurt de week die komt.

4e-gebod-Judith-Gerkema-FullDat raakt niet alleen jezelf, dat heeft ook uitstraling naar de mensen om je heen: het is juist een dag om met mensen in contact te komen (denk daarbij ook aan de vreemdeling in Exodus 20 en de eenlingen in Jesaja 56).

Het is uitnodigend: ik heb het met “Je kunt verschil maken” getypeerd:
* genieten van een goede maaltijd // gastvrijheid
* je verwonderen over de natuur
* investeren in de zorg voor vreemdeling, eenzame (gevangen in hun omstandigheden)

Opvallend om te zien hoe de sabbat terugkomt in het NT. Paulus is er laconiek over. Hij maakt zich niet druk over een regel (zo zou het moeten), hij gaat geheel voor het hart van de sabbat: alle vrijheid om goed te doen. Jezus zelf zet die gedachte in de volle ruimte / nog radicaler:
* alle dagen mogen iets van de sabbat hebben (sabbat of zondag is dan geen vraag meer)
* het mag altijd warmer en stralender > het leven, jouw leven laten schitteren: bezig in de natuur of met creativiteit, tijd en ruimte nemen voor ontmoeting, om samen het geloof te vieren.

Het werkstuk is opgebouwd uit allerlei Hebreeuwse OT-ische teksten en Griekse NT-ische teksten die over de sabbat gaan.

 

Gedicht van Sergej Visser

Het woord (het vierde gebod)

Het wordt al licht. Je houdt je adem in.
Geen vogel zingt. Je hoort alleen de wind.
Je wacht totdat de zon boven de toppen staat.
Je ademt langzaam uit, je slaapzak in.

Je weet dat hij zijn ogen open heeft
en, net als jij, bedenkt dat het vandaag
gebeuren gaat: naar boven, hij en jij,
maar nu nog niet. Pas als de zon verschijnt.

Je steekt een hand omhoog. De binnentent
is koel en droog. Het wordt een mooie dag.
Je wringt je in een tel je slaapzak uit
en doet zonder een woord je kleren aan.

Je bent als eerste buiten. Niemand ziet
wat jij nu ziet: de wolkenflarden, golvend
boven een satijnen meer, oranje
in het eerste licht. Dan komt hij naast je staan
en kijkt hij mee. Hij zegt nog steeds geen woord.
Zes dagen onderweg. Vandaag omhoog
tot je niet hoger kunt en dan terug,
omlaag, naar hier. Tot je weer verder gaat.

Daar, bovenop de top, pakt hij je hand.
Je bent er moederziel alleen, met hem.
Hij blaast je vingers warm en kijkt je aan

totdat het tijd wordt om weer terug te gaan.

Sergej Visser